Erik Deiman
Directeur adviesbureau Brink Groep

Alle PPS-opdrachten die de overheid uitschrijft worden uitgevoerd door een handjevol spelers op de markt, analyseert Deiman. “Er is een beperkt aantal grote aannemers die nu kennis en ervaring opdoen met PPS-contracten. Projecten die, qua omvang en ontwerp, makkelijk ook door andere dan de grote concerns gerealiseerd kunnen worden, zijn iedere keer weer een prooi voor ‘the big five’, die elkaar de bal toespelen. Als kleiner bedrijf is het, gezien de enorm hoge tenderkosten en de gevraagde garantiestellingen, nauwelijks mogelijk om tot de PPS-markt toe te treden”,vindt hij.

Maatgevend

Deiman is ervan overtuigd dat de kwaliteit van PPS-projecten verbeterd kan worden als de markt wordt opengebroken. “In dit soort projecten heeft de aannemer vaak de lead – die is immers risicodragend – en dus worden ze veelal vanuit een technisch perspectief aangevlogen. Een aannemer wil in eerste instantie bouwen. Aspecten die het goed functioneren van een gebouw voor gebruiker en eigenaar langdurig garanderen, krijgen daardoor vaak te weinig aandacht.”

“De exploitatiefase en het gebruik van een gebouw zouden echter veel meer centraal moeten staan in een DBFMO-project”, vervolgt hij. “De essentie achter het idee van DBFMO is de integrale aanpak. We staan in de Nederlandse bouwwereld nog maar aan de vooravond van het denken in life cycles en total cost of ownership. Het idee dat het gebruik maatgevend is, is nog onvoldoende doordrongen bij de meeste partijen.”

Dat is terug te zien in de organisatie van projecten. “De grote consortia maken vaak één VOF of BV voor ontwerp en bouw, en één voor beheer en exploitatie. De architect en diverse adviseurs krijgen een afgebakende opdracht in één van deze domeinen. DBFMO-opgaven zouden een breekijzer kunnen zijn om ketenintegratie vorm te geven. Dat vraagt om een andere manier van werken en een andere (risicodragende) betrokkenheid van partners.”

Vrijheid

Het grootste struikelblok voor kleinere partijen om zich te mengen in een aanbesteding wordt gevormd door de F-component uit DBFMO: de financiering. “De financieringsmarkt zit op slot. Er zijn wereldwijd slechts enkele banken die op dit moment in dit soort trajecten willen stappen. Zij vragen daarvoor forse bankgaranties. Alleen de hele grote partijen met voldoende balansgrootte komen in aanmerking.” Zijn bedrijf merkte dit zelf bij de aanbesteding van de nieuwbouw voor de Hoge Raad. Een eigenwijs consortium bestaande uit Brink Groep, Wiel Arets Architects en Hillen & Roosen als middelgrote aannemer drong door tot de laatste ronde. Om ook de financiering geregeld te krijgen was uiteindelijk toch de betrokkenheid van een groot concern nodig.

Deiman voegt toe dat al in de voorbereidingsfase van een aanbesteding, als gevolg van de vraagstelling, “absurd hoge” kosten moeten worden gemaakt. “Dat schrikt kleinere partijen enorm af. Dit kan deels vermeden worden als vraagspecificaties beter worden geformuleerd, er meer zaken gestandaardiseerd worden en de selectie bijvoorbeeld gemaakt zou worden op basis van een goed uitgewerkt ‘Voorlopig Ontwerp’. Een andere oplossing zou kunnen zijn dat de F-component (de financiering) buiten beschouwing wordt gelaten tot de tweede ronde. De overheid kan zelf veel goedkoper lenen, dus we moeten ook bekijken wat zij kan betekenen in de financiering.”

Vliegwiel voor innovatie

Volgens Deiman zou dit type projecten bij uitstek bij kunnen dragen aan vernieuwing in de sector. “De exploitatiefase is decennialang een relatief ‘ondergeschoven kindje’ geweest in de bouw- en vastgoedsector. De sector is nog steeds uitermate traditioneel georganiseerd. DBFMO-projecten dwingen tot een geïntegreerde aanpak waarbij juist die exploitatie-kant zo belangrijk is. Dit vraagt om een andere benadering en een andere manier van denken. Door meer mededinging te organiseren komt er versnelling in het noodzakelijke veranderingsproces in de sector. Dit moeten we niet alleen bij de aannemers neerleggen. Hier zouden adviesbureaus nadrukkelijk een rol in moeten vervullen. PPS-DBFMO projecten zouden, mits anders georganiseerd, een vliegwiel kunnen zijn voor innovatie en verdere professionalisering van de markt.”