Maarten Hajer
Maarten Hajer is een Nederlandse politicoloog en planoloog. Sinds 1998 is hij hoogleraar Bestuur en Beleid aan de Universiteit van Amsterdam. Sinds 1 oktober 2008 is hij directeur van het Planbureau voor de Leefomgeving.

Gebiedsontwikkeling heeft momenteel de kenmerken van wat na Joseph Hellers  klassieker een ‘Catch 22’ heet. Aan de ene kant zijn de ambities schier oneindig. Zo willen we duurzame gebieden, gebieden waarmee de concurrentiekracht van regio’s kan worden versterkt en we willen de leegstand van met name winkels en kantoren zoveel mogelijk verminderen. Maar aan de andere kant zorgen problemen met de financiële haalbaarheid van gebiedsontwikkelingen voor een ‘implementation gap’. Mede door de crisis laten nog maar weinig grondexploitaties een positief saldo zien. Bovendien lijkt de tijd van omvangrijke rijkssubsidies, zoals afkomstig uit het ISV en de BLS, (voorlopig) voorbij.

Vaart maken en geduld hebben

Het valt dus niet mee om onder de huidige omstandigheden aan al onze ambities gehoor te geven. Meer dan eens zullen we keuzes moeten maken. Zouden we bijvoorbeeld met het aanpakken van leegstand en veroudering altijd wel zoveel haast moeten maken als in het verleden is gebeurd? Naar mijn mening moeten we scherp zijn in de bepaling van het maatschappelijk probleem. Leegstand is pas een maatschappelijk probleem wanneer het tot verloedering en verpaupering van de omgeving leidt. Dat is lang niet altijd het geval. Zolang dat niet het geval is, is leegstand vooral een probleem van de eigenaar van het vastgoed. Bovendien leidt haast bij herontwikkeling – met name bij het verwerven van grond en gebouwen – tot hogere kosten. Ook hergebruik kan baat hebben bij panden die wat langer in onbruik zijn (en dus in waarde zijn gedaald).
Niet alles kan wachten. Het verduurzamen van de gebouwde omgeving en het eco-efficiënter maken van de stad is geen leuke franje, maar bittere noodzaak. De uitdaging voor de 21ste eeuw is hoe we ons welvaarts- en welzijnsniveau kunnen handhaven met een tiende van de uitstoot van broeikasgassen. Dit vraagt om een aanzienlijk transitie waaraan gebiedsontwikkelingen een essentiële bijdrage kunnen leveren. Dat zijn immers de processen waarin wordt gesleuteld aan de stad en noodzakelijke veranderingen tot stand worden gebracht.

Slimme stedenbouw

De vraag is natuurlijk hoe dat moet. In het boek ‘Slimme Steden’ pleit ik voor slimme stedenbouw. Dit is een vorm van stedenbouw waarbij, vertrekkend vanuit de specifieke ruimtelijke en sociale kenmerken van een gebied – dit wijkt dus af van de vaak utopische beelden die met het smart city-concept worden opgeroepen -, rekening wordt gehouden met de stromen die een gebied in en uit gaan. Denk daarbij aan energie, afval, voedsel, transport, water, enzovoorts. Oftewel, het stedelijk metabolisme. De stad en de natuur moeten opnieuw met elkaar worden verbonden, daar waar de koppeling in de 20ste eeuw goeddeels is verbroken. Dit is geen gemakkelijke opgave en zal moeten beginnen bij het mobiliseren van maatschappij en overheid. Het begin zal een gezamenlijke probleemperceptie en een gedeelde strategische visie op de oplossingsrichtingen moeten zijn.